Gelijksoortigheid en artikel 110 VWEU; waar het mis gaat:
Inleiding
De discussie rondom de BPM-heffing bij plug-in hybrides (PHEV’s) heeft de afgelopen maanden tot veel vragen geleid. In eerdere publicaties hebben wij betoogd dat bij nationale nieuwleveringen mogelijk een onjuiste CO₂-grondslag werd gehanteerd. Na intensieve bestudering van de Europese WLTP-verordening, de typegoedkeuringssystematiek en de recente reactie van de Belastingdienst, moeten wij dat standpunt bijstellen.
De grondslag: gewogen gecombineerd is de officiële CO₂-uitstoot
Voor plug-in hybrides (OVC-HEV) bepaalt Verordening (EU) 2017/1151 expliciet dat de officiële typegoedkeuringswaarde voor CO₂ wordt vastgesteld via de zogenoemde utility factor-methodiek. De daaruit voortvloeiende waarde heet in de COC
“Gewogen gecombineerd (WLTP)”
Dit is geen aanvullende of facultatieve parameter, maar de formele CO₂-emissiewaarde van het voertuig in het kader van de Europese typegoedkeuring.
De nationale Wet BPM sluit aan bij de CO₂-uitstoot zoals die uit de EU-typegoedkeuring volgt. Dat betekent dat bij nationale nieuwleveringen de gewogen gecombineerde WLTP-waarde juridisch als grondslag moet worden aangemerkt.
Onze eerdere interpretatie, waarin wij betoogden dat uitsluitend de “gecombineerde” (ontladingsfase) waarde zou moeten gelden, blijkt achteraf niet houdbaar binnen de systematiek van de Europese regelgeving.
Wat verandert er dan wél?
De discussie verplaatst zich van de vraag welke grondslag geldt naar de vraag hoe die grondslag zich verhoudt tot gelijksoortigheid en gelijke behandeling binnen de EU.
Bij identieke voertuigen kan het voorkomen dat:
- een eerdere typegoedkeuringsvariant (*01) een aanzienlijk lagere gewogen gecombineerde CO₂-waarde kent;
- een latere wijzigingsvariant (*02) binnen dezelfde Euro-emissiefase een veel hogere waarde kent.
Hoewel technisch sprake is van een gewijzigde typegoedkeuringsversie, zegt een dergelijk wijzigingsnummer op zichzelf niets over de economische of technische gelijksoortigheid van voertuigen.
En daar komt artikel 110 VWEU in beeld.
Artikel 110 VWEU en gelijksoortigheid
Artikel 110 VWEU verbiedt lidstaten om ingevoerde goederen zwaarder te belasten dan binnenlandse soortgelijke goederen.
In het recente advies van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad (2025) en de daaropvolgende rechtspraak is opnieuw benadrukt dat:
- technische of administratieve verschillen in typegoedkeuring niet doorslaggevend zijn;
- beslissend is of voertuigen economisch en technisch als soortgelijk moeten worden aangemerkt;
- een substantiële belastingverhoging zonder objectieve rechtvaardiging strijdig kan zijn met artikel 110 VWEU.
Een wijziging van een typegoedkeuringsindex (*01 naar *02) maakt een voertuig niet automatisch “niet-soortgelijk” in de zin van het Unierecht.
Daarmee blijft ruimte bestaan voor toetsing wanneer bij parallelimport:
- identieke voertuigen,
- met vergelijkbare technische specificaties,
- maar met eerdere typegoedkeuringsvarianten,
substantieel lager worden belast dan een in Nederland nieuw geregistreerde variant.
Nationale nieuwlevering versus parallelimport
Voor nationale nieuwleveringen geldt inmiddels dat de gewogen gecombineerde WLTP-waarde als officiële CO₂-grondslag juridisch standhoudt.
Voor parallel geïmporteerde voertuigen ligt dat genuanceerder.
Wanneer een ingevoerd voertuig:
- in een andere lidstaat is toegelaten onder een eerdere typegoedkeuringsvariant,
- economisch en technisch gelijksoortig is aan het Nederlandse referentievoertuig,
- maar wordt geconfronteerd met een aanzienlijk hogere BPM door een latere typegoedkeuringswijziging,
kan artikel 110 VWEU een correctiemechanisme bieden.
De discussie verschuift dan van “verkeerde grondslag” naar “ongerechtvaardigd onderscheid tussen soortgelijke voertuigen”.
Conclusie
De officiële CO₂-grondslag voor PHEV’s is de gewogen gecombineerde WLTP-waarde. Dat staat technisch en juridisch vast.
De relevante vraag is nu niet meer of deze grondslag mag worden toegepast, maar of een wijziging in typegoedkeuringsvariant zonder wezenlijke technische wijziging een belastingverschil van honderden procenten kan rechtvaardigen.
Voor nationale nieuwleveringen is de ruimte beperkt.
Voor parallelimport en toetsing aan artikel 110 VWEU blijft juridische grond aanwezig om disproportionele verschillen te betwisten.
Wij blijven die ontwikkelingen nauwgezet volgen.