Naar aanleiding van de recente commotie rond BPM-aangiften op basis van taxatierapporten, DRZ-controles, het onthouden van fiscaal akkoord/kenteken en de bedreiging die ik ontving, heb ik de Belastingdienst om inhoudelijke opheldering gevraagd.
Inmiddels heeft de Belastingdienst gereageerd. Die reactie is relevant, omdat daarin wordt bevestigd dat bij bepaalde BPM-aangiften met taxatierapport volgens de Belastingdienst niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangifte, aan een waarderingsdiscussie of aan de vraag of sprake is van een kennelijk onjuiste aangifte. De Belastingdienst stelt dat het taxatierapport in die gevallen niet voldoet aan de formele vereisten van de Wet BPM, de Uitvoeringsregeling BPM en Bijlage I. De aangifte wordt dan volgens de Belastingdienst “buiten behandeling” gesteld.
Daar zit precies het probleem.
Het punt is niet dat de Belastingdienst of DRZ een voertuig controleert. Controle mag. Fraude moet worden bestreden. Ook taxatierapporten moeten aan wettelijke eisen voldoen. Daarover bestaat geen verschil van mening.
Het probleem is dat hiermee een route lijkt te ontstaan vóór de normale fiscale beoordeling. De aangifte wordt niet inhoudelijk behandeld, er volgt geen naheffingsaanslag, er ontstaat geen regulier fiscaal geschil met normale bezwaar- en beroepsmogelijkheden, maar er volgt wél geen fiscaal akkoord/kenteken. De aangever krijgt vervolgens de mogelijkheid — in de praktijk vaak: de noodzaak — om opnieuw aangifte te doen via een andere methode, zoals tabel of koerslijst.
Dat is geen neutrale herstelmogelijkheid. Voor de aangever is het voertuig immers nog niet vrijgegeven. Het kenteken blijft uit. De druk loopt op. De auto moet de weg op, verkocht worden of geleverd worden. Onder die omstandigheden is het maar zeer de vraag of nog gesproken kan worden van een vrije keuze voor een andere afschrijvingsmethode.
Daarbij komt dat de Belastingdienst zelf aangeeft dat een nieuw taxatierapport in het lopende RDW-inschrijvingsproces niet meer mogelijk kan zijn wanneer het RDW-onderzoek al is afgerond. Daarmee ontstaat een praktische fuik: de oorspronkelijke taxatieaangifte wordt niet inhoudelijk beoordeeld, een nieuw taxatierapport kan mogelijk niet meer worden gebruikt, en de aangever wordt feitelijk richting tabel of koerslijst geduwd.
Een belangrijke vervolgvraag is dan of het oorspronkelijke taxatierapport werkelijk uit beeld verdwijnt wanneer de aangever, uitsluitend om fiscaal akkoord en kenteken te verkrijgen, alsnog aangifte doet via tabel of koerslijst. Dat lijkt moeilijk houdbaar. Het taxatierapport is immers al ingebracht, ziet op hetzelfde voertuig, hetzelfde belastbare feit en dezelfde BPM-heffing, en vormt juist de reden waarom de Belastingdienst de oorspronkelijke aangifte blokkeert.
In een bezwaar tegen de uiteindelijk voldane BPM zal daarom nadrukkelijk aan de orde moeten kunnen komen of de aangever te veel BPM heeft betaald. Daarbij zal het oorspronkelijke taxatierapport naar mijn mening ten minste als bewijsmiddel onderdeel van het fiscale dossier moeten blijven. Als de Belastingdienst zou stellen dat dit niet kan, wordt de kern van het probleem alleen maar groter: dan wordt de aangever door het onthouden van fiscaal akkoord/kenteken feitelijk gedwongen afstand te doen van een wettelijk toegestane afschrijvingsmethode.
Ook blijft onduidelijk op welke zelfstandige wettelijke grondslag een BPM-aangifte in deze situatie “buiten behandeling” wordt gesteld. Verwijzen naar de eisen waaraan een taxatierapport moet voldoen, beantwoordt die vraag niet. De vraag is niet alleen of de Belastingdienst een taxatierapport bruikbaar vindt. De vraag is vooral welke bevoegdheid de Belastingdienst heeft om de aangifte zelf buiten behandeling te stellen en welke rechtsbescherming de aangever daartegen heeft.
Als de Belastingdienst meent dat een aangifte onjuist is, ligt de normale fiscale route voor de hand: heffen of naheffen, waarna de burger bezwaar en beroep kan instellen. Als de Belastingdienst zegt dat zij aan die beoordeling niet toekomt en de aangifte buiten behandeling stelt, moet helder zijn op basis van welke bevoegdheid dat gebeurt en welk rechtsmiddel daartegen openstaat.
Verder schrijft de Belastingdienst dat de taxateur “in principe” geen partij is. Formeel kan dat in de relatie tussen inspecteur en aangever zo worden gezien. Praktisch is dat echter onhoudbaar wanneer het taxatierapport zelf de reden is voor buitenbehandelingstelling, verdere signalering of zelfs onderzoek. Dan gaat het rechtstreeks om het beroepsproduct van de taxateur. De bedreiging die ik ontving, laat zien dat de gevolgen daarvan niet theoretisch zijn.
De kern blijft dus als volgt.
Een wettelijk toegestane BPM-taxatiemethode mag niet via formele blokkades, vertraging, geen fiscaal akkoord/kenteken en praktische sturing naar een andere aangiftemethode worden ontmoedigd. Als de Belastingdienst een taxatierapport ondeugdelijk vindt, moet dat helder, toetsbaar en met normale rechtsbescherming worden afgedaan.
Wij zullen de Belastingdienst daarom aanvullend vragen op welke wettelijke grondslag BPM-aangiften met taxatierapport buiten behandeling worden gesteld, of daartegen bezwaar en beroep openstaat, waarom niet de normale route van heffing of naheffing wordt gevolgd, welke criteria worden gebruikt om formele gebreken, waarderingsverschillen en mogelijke fraude van elkaar te onderscheiden, en of het oorspronkelijke taxatierapport in bezwaar tegen de uiteindelijk voldane BPM onderdeel van het fiscale dossier blijft.
Ook willen wij weten welke gegevens vanuit CAP/DRZ worden gedeeld met MKB, GO of FIOD, of de belastingplichtige daarover wordt geïnformeerd, en hoe wordt voorkomen dat aangevers door onduidelijke of criminaliserende communicatie hun frustratie richten op taxateurs.
Controle is prima. Rechtsbescherming is noodzakelijk. En een wettelijk toegestane methode mag niet via de achterdeur onmogelijk worden gemaakt.